WDW  2002

richard eijkelenburg

12 Juni 2002. Onze rit van 2000 naar het WDW (Rudy van Camp, Frank Gysels en ik) had al enige bekendheid gekregen, en toen we plannen begonnen te maken om ook in 2002 iets dergelijks te doen, hebben enkele clubleden zich aangemeld om mee te rijden : Geert Dekeukeleire met zijn 996, Luc Meersman, met zijn Le Mans I, Herman Verstraeten met zijn R1100 S, en Michaël met een Ducati 851, een jaartje jonger dan de mijne, dus al met USD vering. Het was zijn eerste Ducati, als kennismaking kan dat tellen !

Frank durft het niet meer aan met zijn Paso 750 te gaan. En alhoewel Geert naderhand bewezen heeft dat ook een 996 een toermotor kan zijn, wil Frank de zijne toch niet voor zoiets misbruiken. Hij is erin geslaagd, een grijze ST2 mee te krijgen. Rudy heeft zijn 900 SS weer mee, en mij was het niet gelukt, mijn 851 te verkopen en een échte toermotor te kopen, dus hij moet weer dienen.

Zoals bij de eerste keer, samenkomst in Zemst, aan de oprit van de snelweg richting Brussel.
En wie ontbreekt het op het appèl ? Herman ! Na een 20 minuten wachten, geven we het maar op. Herman is oud en wijs genoeg om ons onderweg ergens weer tegen te komen. Achteraf blijkt dat Herman vanaf Antwerpen een Ducati heeft gevolgd waarvan hij dacht dat het Frank was, en die reed de afrit Zemst voorbij – Herman blijft volgen, tot het bij hem daagt dat deze Ducati misschien toch niet naar het WDW gaat. Dan maakt hij rechtsomkeer, maar in Zemst zijn wij dan al lang weg.

We vertrekken dus, in de regen – België, nietwaar ? Maar aan het eind van de ochtend klaart het op.
Onze eerste stop is natuurlijk in Luxemburg, de tanks vullen, een soort ontbijt (koffie, croissant/broodje, sigaret(ten) voor Frank (“Heeft er iemand plaats in zijn bagage voor twee sloffen sigaretten ?”). Van bagage gesproken, deze keer heeft Frank geen rugzak maar een bagagetas achter op de motor, die rugzak had hij de vorige keer aardig vervloekt (en Frank kàn vloeken….).

We zien daar ook clubleden verschijnen, mensen met verhalen over kapotte windschermen, en opengewaaide rugzakken en zo. Wij hadden tot daar toe, als ervaren rotten, geen enkel probleem gehad (of is het verliezen van een reisgezel, nog voor je vertrokken bent, een probleem ?) Geen spoor van Herman.

Verder in Frankrijk, via ongeveer dezelfde route (Elzas Jura, tot in de Vercors, één van mijn favoriete streken in Frankrijk) en overnachten in een hotelletje dat we uit de gids van de “Logis de France” pikken, in het dorpje “Le Bouchoux”, L’Auberge de la Chaumière. Nu dat we met zijn zessen zijn, bestellen we twee of soms drie kamers, de meeste hoteleigenaars zien het niet zitten om zes man in een kamer te steken, en onze ervaring met het fenomeen snurken heeft ons ook wat voorzichtiger gemaakt.

Wij betrekken onze kamers, nemen een douche, drinken alvast een pintje – behalve Luc, die zijn motor in ere houdt en elke avond een uur of meer zijn motor schoonmaakt, reinigt, poetst en daarna afdekt. Rudy wil nog wel eens zijn ketting smeren, maar zelfs dat is voor de meeste anderen eerder een toevallig initiatief dan een gepland onderhoud.
In Frankrijk kan je lekker eten en drinken…maar daar hoef ik geen verhaal over te schrijven.
Na een goede nachtrust (met wat gesnurk links en rechts) zijn  we de volgende dag klaar voor nog eens een 500 kilometer of zo.

Het gaat weer, zoals de vorige keer, via de Franse Alpen naar Italië, door Ligurie tot in de noordelijke Apennijnen. Een lange rit, het is bloedheet (dat zou zo blijven tot de terugkeer) en bovendien begint Luc’s Moto Guzzi soms slecht te draaien bij lage toeren.

We vinden tamelijk laat een onooglijk hotelletje. Douches en WC’s op de gang, op een andere verdieping... In de kamer die ik deel met Luc, moet je na het openen van de deur eerst drie treden naar beneden gaan, voordat je op de vloer van de kamer staat. Een recept voor een doodsmak, als je na een goed begoten Italiaans diner naar je kamer gaat. Maar het is toch goed gegaan. Open een raam en dan zie je dat achter het raam de muur is dichtgemetseld. Van een uitzicht gesproken. Het plafond daarentegen is volledig bedekt met een fresco zoals de Sixtijnse kapel, of toch bijna.

De bizarre kwaliteit van de kamer wordt meer dan gecompenseerd door de kwaliteit van de keuken. Parmahesp met meloen, enzovoorts enzoverder. Een lokaal hondje weet dat ook en heeft al vlug door dat de beste plaats naast de stoel van Luc is, op die stoel zit namelijk zit de meest vrijgevige dierenliefhebber van het gezelschap.

De volgende ochtend, na een Italiaans ontbijt (Cappuccino, broodje met confituur, en verder – niets), vertrekken we weer. Het probleem van Luc’s Guzzi is niet ’s nachts verdwenen. Na verschillende stops, om de carburateurs de reinigen en zo, is er nog steeds geen oplossing. In de buurt van La Spezia, op de autostrade, besluit Luc bij een tankbeurt om het zekere voor het onzekere te nemen, en vanaf daar uitsluitend via de autostrade naar Cattolica te rijden, en daar dan het probleem op te lossen. (naderhand bleek het om een beschadigde chokekabel te gaan, soms, maar niet altijd,  bleef de choke op één carburateur openstaan). Michaël besluit hem te vergezellen, ook omdat het tempo hem niet zo beviel, zodat wij met zijn vieren (Rudy, Frank, Geert en ik) verder rijden.

Wij zoeken dus de lokale wegen door het Parco Alpi Appuani, weer langs Castelnuovo di Garfagnana, naar Pistoia, Firenze, van daaruit recht naar het oosten, via Pontassieve, Pieve Santo Stefano, de Passo di Viamaggio, richting San Marino en uiteindelijk, zo om half negen s’avonds,  Cattolica naar het Hotel Sylva, welgekend bij de Ducaticlubleden.

Luc en Michaël zijn al goed en wel aangekomen, Loecati ziet ons aankomen en vind dat we er “kapot” uitzien. Ik maak later die avond een grove schatting van het aantal bochten (daar gaat het toch om, of heb ik dat motorrijden niet goed begrepen ?) en met zo’n 1000 km lokale wegen aan 10 bochten per kilometer, dat zijn er dus 10.000 bochten, of niet ? en zo zijn wij dan de mannen van de 10.000 bochten geworden.

 

 

 

 

Zaterdag en zondagvoormiddag hangen we rond op het Circuit Santa Monica van Misano. Een paar highlights : de Ducati Vlaanderen clubstand (leeg), erg warm, de presentatie van de MotoGP Ducati, erg heet, een interview op het podium met een totaal uitgeflipte Japanner,  hoge temperaturen, Bayliss, Xaus, cadeautjes verdelen vanaf het podium, met een zeer indrukwekkend, dansend, vrouwelijk decor, héét !

Zondag vertrekken we dan weer, met zijn vieren. Weer dwars door Toscane, natuurlijk ! Eén stuk van het traject is om verschillende redenen gedenkwaardig. Dat moet zo ergens oostelijk van Siena zijn geweest, de Michelinkaart toonde kronkeltjes met een groen lijntje, dus wij daarheen.

 

Die weg blijkt bij de bevolking erg populair, bij verschillende bevolkingsgroepen : de macho tieners komen er hun rijkunsten vertonen op hun scooter, en aarzelen niet een paar zielige Ducatirijders uit Belgie links en rechts in te halen (in de afdaling – berg op was het wat anders, maar toch); verder zijn er de zwarte  “working girls” die alle 30 meter langs de weg staan, met hun plastiek tasje, zonder al te veel kleren aan (het is dan ook heet), te wachten op mannelijk kliënteel, (nee, wij niet); en een voornamelijk mannelijk deel van de volwasen bevolking, die het allemaal met veel aandacht bekijkt.

 

Dan via Monteriggione (minuscuul vestingstadje uit de middeleeuwen), waar we een duur glaasje frisdrank drinken, langs San Gimignano, gekend als het Manhattan van de middeleeuwen vanwege zijn vele hoge torens (nu ja, hoog – zo’n meter of 30) tot bij Volterra, waar we overnachten.

 

Het hotel is duidelijk sjieker dan wat we gewoonlijk uitzoeken, maar het ligt heel rustig, en toch niet zo heel erg duur. De eigenaars (twee zusters) blijken bovendien een fantastische keuken te hebben. De lokale bevolking weet dat, het restaurant is volzet maar voor ons is er nog plaats. Héérlijk, en niet overdreven duur..

De volgende morgen valt het vertrek tegen: op het ogenblik dat we allemaal, ingepakt in het leer (en alweer bloedheet), op de motor zitten, en zullen wegrijden, blijkt dat mijn koppeling niet werkt. Huh ? en gisteren werkte hij nog ?!?


Geen nood, naast het hotel is een tankstation/werkplaats, en die mensen blijken remolie en dergelijke te hebben. Na een half uurtje sukkelen is de koppelingscilinder op het motorblok ontlucht, en kunnen we weg.

 

Bij de eerstvolgende stop klapt Frank de zijsteun uit, en dat ding valt op dat ogenblik in zijn geheel van de motor af – goe spul, die Ducati’s.
Onze volgend stop is het Campo Santo in Pisa, je weet wel, die scheve toren en zo. De weg ernaar toe is in de vlakte van de rivier de Arno, dus zo plat als een pannekoek. De wegen zijn recht, het barst van de handelszaken langs de weg, en het verkeer is intens – weer een gelijkenis tussen belgië en Italië.

 

Aangekomen in Pisa zijn we toeristen onder de toeristen, maar het is echt te heet en we besluiten vrij snel weer verder te rijden (…we besluiten weer vrij snel verder te rijden… ?).

Ergens had ik gehoord of gelezen dat de stad vlakbij, Lucca, zo mooi zou zijn, dus dat omweggetje hebben we dan maar genomen. Bijna was dat slecht afgelopen : op de boulevard rond Lucca was een autobus erg traag aan het rijden, ik wacht braaf tot het me echt te lang duurt, en geef een dotje (nu ja…) gas om er even voorbij te wippen. OP dat zelfde ogenblik ziet de buschauffeur een parkeerplaats, LINKS van de weg, en draait ogenblikkelijk in. Afin, het is allemaal goed afgelopen, maar Rudy, Geert en Frank hadden toch wel wat kommentaat op mijn maneuver. En, voor wie het weten wil, Lucca is de moeite waard; maar je moet het te voet bezoeken, desnoods met een fiets, maar beslist niet met de motor.


Als de avond valt, bevonden we ons weer in Ligurie, tussen Genua en de Franse grens. Een hotelletje dat ik vind, blijkt toch te dicht bij de weg te liggen, en om dat lawaai te vermijden, gaan we verder naar een eerder afgelegen familiehotel in Roccaforte. Inderdaad erg rustig, en de overige gasten zijn allemaal minstens 75 jaar oud, dus die hebben ons ook niet wakker gehouden.

 

De volgende ochtend : geen koppeling! verrek, die werkte toch tot op het allerlaatste moment, gisteren ?!? – dus wéér ontluchten.

Die dag nemen we de Passo dell’Agnello, ten zuiden van de Mon Viso (bron van de Po – rivier) over de grens naar Frankrijk. Nog in Italië tijdens een drankpauze in een dorpje,  presteer ik het mijn motor te parkeren récht onder een parkeer verbod. Een vriendelijke Carabiniero suggereert dat ik mijn motor verplaats…

 

En verder via de col de l’Isoard, Briançon, col du Lautaret, Grenoble tot in de buurt van Chambéry. Iets naar het westen ligt daar het Lac d’Aiguebelette, en aan de boord van het meer vinden we een hotelletje gevonden. Frank, Rudy, Geert, al of niet voorzien van een zwembroek, nemen een duikin het meer, als voorbereiding van het diner. De hoteleigenaar wil zelfs nog betaald worden voor het gebruik van het water van het meer, maar daar kan hij naar fluiten.
De volgende ochtend zijn we het vlug eens dat thuiskomen ook zo zijn voordelen heeft, en kiezen we voor de snelweg. Dat verloopt dan verder probleemloos, en zo is weer een week on the road een groot succes geworden.

 

Achteraf is het probleem van de lucht in de koppeling duidelijk geworden : wanneer de dichting versleten of beschadigd is, verlies je uiteraard wat olie via de bedieningscilinder. Maar dat kun je zien aan het potje links op je stuur. Wat echter ook kan gebeuren, is dat je lucht binnentrekt in de cilinder (door het afkoelen ?). En het enige wat helpt, is het boeltje vervangen.

 

Ik heb de zaak definitief opgelost door de cilinder en de drukstang te vervangen door de meest recente uitvoering, die is zo uitgevoerd dat het vuil van de ketting niet meer tot bij de dichting kan komen.

 

 

Richard Eijkelenburg