Maar de eigenaar (inderdaad, een uit de hand gelopen hobby…) kon het ook niet laten vleessnijmachines, sneeuwploegen, stoomlocomotiefjes, landingsboten straaljagers, Siciliaanse hondenkarren, brandweermateriaal, sleepboten, en nog wat diverse spullen te kopen. Samenvatting : wat een heerlijk interessante rotzooi !
Maar eigenlijk wilden we het museum van de Guzzi fabriek, aan het Comomeer, in Mandello, gaan bezoeken. Dus wij rijden verder, het traject tot dan toe was trouwens absoluut het slechtste van de hele week, veel rechtdoor, en veel verkeer. Vanaf Como wordt het weer interessant. Langs het meer naar Bellagio gaan we onderweg dan ergens een restaurantje zoeken, dat vinden we uiteindelijk dan ook, maar in het proces zijn we wel Frank even verloren. Komt ervan als degene, die voorop rijdt, minder respect heeft voor verbodsborden dan sommigen van de volgers..dat is echter vlug weer opgelost. Na de maaltijd landen we dan in Bellagio, niet voor de laatste keer zoals later zou blijken. Ik bestel vier kaartjes, om met de veerboot het meer over te steken naar het oosten, richting Varenna, en daarna Mandello. We moeten ons “dààr !” voorsorteren, en na een minuut of twintig mogen we de boot op. Die steekt van wal, en steekt het meer over naar het wèsten ! Aangeland in Menaggio, waar we nièt willen zijn, denk ik gewoon aan boord te blijven tot de ferry zijn rondje af heeft. Mis ! we moeten eraf ! Na wat gepalaver mogen we dan toch met dezelfde boot terugkeren naar Bellagio, en (bijna) zonder bijbetalen uiteindelijk toch in de goeie richting, Varenna, oversteken. Zo brengen we die dag bijna meer tijd op het schip als op de motor. Niet iedereen is even gelukkig met het ongeplande vertragingsmaneuver. Ik moet onwillekeurig debken aan een liedje van Drs P. de titel ken ik niet meer, maar het refrein gaat van “heen en weer…heen en weer…heen en weer…”
In Mandello aangekomen is het even zoeken naar de Guzzi fabriek, en inderdaad, er is een ingang “Museo” – gesloten. Blijkt dan dat ze per dag zo’n uur of anderhalf open zijn… Het is nog te vroeg om een hotel te zoeken, dus rijden we een beetje door, verder naar het zuiden langs het meer, tot in Lecco, en van daaruit naar het noordoosten de Valsassina in, naar de Col di Balisio,en verder naar Cortenisio. Daar geraken we vast in wat verkeer, en voor ik het weet zitten we op een baantje dat wèl rustig is, maar voortdurend verslechtert, tot we bijna aan het trialrijden zijn – een eerste staaltje van een “pokkebaantje”. Het baantje brengt ons tot in Esino Lario, met een schitterend uitzicht op het Lago Como onder ons.
Na de afdaling, op nog steeds dat pokkebaantje, belanden we weer in Varenna, de plaats van onze derde bootaankomst, vijf uur vroeger diezelfde namiddag… Het wordt tijd, een hotel uit te zoeken. Het eerste hotel is volgeboekt, en het andere hotel ligt pal tegenover de aanlegplaats van de ferry, en ziet er eigenlijk een beetje duur uit. Helemaal fout wis die indruk niet. Maar er blijft eigenlijk geen keus, dus reserveren we daar twee kamers, met zicht op het meer. Het avondeten nemen we ook in het hotel, want er is geen ander restaurant in de hele “stad”. Na het eten zetten we ons neer op het terras, naast onze motoren. Ik raak daar aan de babbel met een Duits koppel, waarvan de man het wel erg voor zijn nationale producten heeft : DKW, NSU, MZ, BMW; dat Italiaans spul vond hij maar niets. De vierde dag gaat het verder naar het noordoosten, via Sondrio richting Stelvio. Het eerste stuk, nog langs het meer, is erg mooi, het tweede stuk tot Sondrio, en verder tot Tresenda, is eigenlijk vervelend. Ik doe nog een poging het wat interessanter te maken door parallelwegeltjes op te zoeken, maar het resultaat is eerder van het type”Pokkebaantjes”. Maar vanaf Tresenda wordt de verveling ruimschoots gecompenseerd, met schitterende landschappen en prachtige wegen. Eerst even een beetje verder naar het Oosten in plaats van recht naar de Stelvio, over de passo dell Aprica en dan de passo del Foppa (1852 m), via de monte Padrio. Onderweg is er praktisch geen verkeer, en ook eetgelegenheden zijn er niet te vinden – en dat om één uur ‘s middags. Ineens zien we dan ergens, op zo’n 1500 m hoogte, links van de weg een huisje, en een 50 m verder een kapelletje en een kudde koeien ( zijn 10 koeien een kudde ?). Ik stop, om te vragen waar we wat te eten zouden kunnen vinden, en dan blijken we bij een kaasfabriek te staan : aan de rechtse kant zit, half in de aarde verscholen, een hutje met twee kamertjes, waar twee inboorlingen de melk van de héle kudde omvormt tot ricottakaas. Dat moeten we proeven, natuurlijk, en ik koop dan twee blokjes van 200 gram, een beetje jonge kaas en ook wat oude kaas. De jonge ondernemer snijdt af onder het motto “mag het ook een beetje meer zijn ?” en ik blijk met bijna een kilo kaas in mijn handen te staan. Prijs voor “een beetje meer dan” 400 gram : 3 Euro…